Nicolai Ghiaurov (Bulgaars: Николай Гяуров) (13 september 1929 – 2 juni 2004) was een Bulgaarse operazanger en een van de beroemdste bassen van de naoorlogse periode. Hij werd bewonderd om zijn krachtige, weelderige stem en was vooral bekend om zijn rollen in werken van Moessorgski en Verdi. Ghiaurov trouwde in 1956 met de Bulgaarse pianiste Zlatina Mishakova en in 1978 met de Italiaanse sopraan Mirella Freni; de twee zangers traden vaak samen op. Ze woonden in Modena tot Ghiaurovs dood in 2004 aan een hartaanval. Ghiaurov werd geboren in het kleine bergstadje Velingrad in Zuid-Bulgarije. Als kind leerde hij viool, piano en klarinet spelen. Hij begon zijn muziekstudie aan het Bulgaarse Staatsconservatorium in 1949, waar hij studeerde onder professor Cristo Brambarov. Ghiaurov kreeg een staatsbeurs en studeerde van 1950 tot 1955 aan het Conservatorium van Moskou. Zijn carrière begon in 1955, toen hij de Grand Prix won op de Internationale Zangwedstrijd in Parijs en de Eerste Prijs en een gouden medaille op het Vijfde Wereldfestival voor de Jeugd in Praag. Ghiaurov maakte zijn operadebuut in 1955 als Don Basilio in Rossini's De Barbier van Sevilla in Sofia. In 1956 verhuisde hij naar het Bolsjojtheater in Moskou, waar hij zijn eerste Mefistofeles zong. Zijn Italiaanse operadebuut volgde in 1958 in het Teatro Comunale in Bologna, waarna hij een internationale carrière begon met zijn vertolking van Varlaam in de opera Boris Godoenov in La Scala in 1959. In 1962 maakte Ghiaurov zijn debuut in Covent Garden als Padre Guardiano in Verdi's La forza del destino en zijn eerste optreden in Salzburg in Verdi's Requiem, gedirigeerd door Herbert von Karajan. Ghiaurov deelde voor het eerst het podium met Mirella Freni in 1961 in Genua; zij was Marguerite, hij Mefistofeles in Faust. Ze trouwden in 1978 en woonden in haar geboortestad Modena; ze traden vaak samen op. Hij maakte zijn Amerikaanse debuut in Gounods Faust in 1963 bij de Lyric Opera of Chicago, en zong daarna twaalf rollen bij het gezelschap, waaronder de titelrollen in Boris Godoenov, Don Quichotte en Mefistofele. Ghiaurov maakte zijn debuut in de Metropolitan Opera op 8 november 1965 als Mefistofeles. Hij zong daar in totaal 81 voorstellingen in tien rollen, met zijn laatste optreden op 26 oktober 1996 als Sparafucile in Rigoletto. Gedurende zijn carrière trad hij ook op in het Bolsjojtheater in Moskou, de Weense Staatsopera, Covent Garden en de Opera van Parijs. In de late jaren 1970 zong Ghiaurov de titelrol in de eerste complete stereoopname van Massenets opera Don Quichotte. Hij werd veelvuldig opgenomen en zijn discografie omvat volledige opnames van vele van zijn grote toneelrollen, waaronder Don Giovanni, Don Basilio, Ramfis, Colline, Banco, de Mefistofeles van Gounod en Boito, en Boris Godoenov, onder vele anderen. Ghiaurov en zijn vrouw Mirella Freni zongen samen in vele opera's, waaronder opmerkelijke uitvoeringen in Simon Boccanegra (La Scala, 1971), Faust (Covent Garden, 1976), Don Carlos (Salzburg, 1976) en Ernani (La Scala, 1982). In oktober 2000, op 71-jarige leeftijd, gaf hij een geprezen optreden tijdens het 1e Herbert von Karajan-herinneringsconcert onder leiding van James Allen Gähres in Ulm, waar hij opera-aria's en duetten zong van Cilea, Tsjaikovski en Verdi, samen met Mirella Freni.